Niet zulk goed nieuws

Nou, uw kortademigheid wordt niet veroorzaakt door uw longen. Zo werd het mij, op eigenlijk vrij laconieke toon medegedeeld. Bijna alsof het iets was om blij om te zijn. Uw longen zijn het in elk geval niet, dat is wel een hele opluchting zeker? Ik lag in een operatiehemd op tafel, in een gekoelde ruimte, en had net een hartkatheterisatie ondergaan. Zulk goed nieuws was het dus niet, want als het niet mijn longen waren, dan wist ik wel wat het wel was. Nu begreep ik ook pas dat die man, die een kwartiertje – tien minuten? Een half uur? – geleden binnenkwam om mijn dokter op dringende toon weg te roepen met de mededeling dat hij twee volledig dichte aderen had, het over míj had gehad, en niet over een patiënt in de kamer hiernaast. Twee volledig afgesloten kransslagaderen, kreeg ik nu ook direct te horen, van een dokter die zich nog altijd verscholen hield achter het scherm waarachter ook de hele operatie zich voor mij had afgespeeld. Minimaal vijf mensen hadden zich bij binnenkomst heel even over mij heen gebogen, allemaal gekleed in het uniform van de operatiekamer, met allemaal een identiek groen mutsje op het hoofd en een identiek groen mondkapje voor, om hun naam bekend te maken, bij wijze van persoonlijke toets, maar geen van allen had als taak gehad mij gedurende het hele proces op de hoogte te houden van wat er met mij gebeurde. Allen hadden zich achter het scherm opgesteld en er verder het zwijgen toegedaan. Alleen wat technische aanwijzingen had ik gemompeld horen worden. Van achter mij, van boven mijn hoofd vanuit liggende positie gezien, had zich onaangekondigd een wit gevaarte over mij heen bewogen dat gedurende het proces geheel op eigen gezag bleek te kunnen manoeuvreren en steeds andere posities innam. Ergens in de verte, half binnen mijn gezichtsveld, zag ik een televisiescherm hangen dat vlekkerige zwartwit beelden vertoonde waarvan ik wel begreep dat dat mijn hartstreek was, maar waarvan ik had geen idee hoe die te interpreteren, die vreemde, geluidloze zwarte wolkjes die verschenen en weer verdwenen. Ik had mij de tijd die het duurde erg eenzaam en verlaten gevoeld. Maar nu werd er dan tegen mij gepraat. Dat het niet zulk goed nieuws was.

Advertenties

Vooruitgang

Er zijn altijd betere en slechtere dagen, zei mijn oudste zoon, terwijl hij zijn lange lijf hoekig over het mijne vouwde, zijn hoofd op mijn schouder, zijn armen om mijn nek, mijn borst tegen de zijne.
Hij zei het op de hem kenmerkende toon van de negentienjarige die uit hoofde van zijn leeftijd de wijsheid nou eenmaal in pacht heeft. Hij beschikt over een ruime voorraad waarheden als koeien. Zoals deze dus bijvoorbeeld.
Ik had hem net toevertrouwd dat het vandaag niet zo wilde, met mij. Met moeite was ik opgestaan maar na het ontbijt op de bank weer ingestort, en nu met slepende tred op weg naar de douche. Moe, zwaar en duf. Chagrijnig en opstandig. Ik mompelde nog maar eens iets nurks in zijn oksel.
In elk geval kan ik je nu wel weer gewoon knuffelen, drukte hij mij nog eens extra tegen zich aan, dus dat is in elk geval vooruitgang.
En inderdaad, dat is vooruitgang. Dat kon tot voor kort nog niet gewoon. Dat moest tot voor kort met de grootste omzichtigheid, om ieder contact met de geschonden borst, die zelfs geen kleding verdroeg, te voorkomen. Zo was het drie maanden geweest. En mijn oudste zoon mocht, zo groot als hij is, zijn vader nou eenmaal graag eens even stevig omhelzen, om een grondig ‘ik hou van je pap’ in zijn nek te brommen.
En dat kon nu dus weer. Borst tegen borst.
Noem dat maar eens geen vooruitgang.

Maandag

Gisteren was het maandag. Nou is het dat wel vaker natuurlijk, maandag, maar dit was de eerste van een heel nieuw schooljaar. De dag dat vrouw en kinderen er ’s ochtends vroeg weer welgemoed op uit trokken, met rugzakken, broodtrommels en schoolboeken, de dagtaak tegemoet. Om pas veel later op de dag, hongerig en vermoeid, vol van indrukken en verhalen, weer terug te keren op het honk. De eerste dag van wat dan het normale leven genoemd zou kunnen worden.
En de eerste dag sinds de operatie dat ook mijn leven dus weer haar normale loop neemt, zo op het eerste oog. Niet langer de patiënt, die ontzien moet worden, het rustig aan moet doen en zichzelf in acht moet nemen. Gewoon weer de huisman in een klushuis, met creatieve projecten ernaast en het huis en de tijd aan zichzelf. Dat had ik in elk geval dan zo’n beetje gedacht.
Dat wil zeggen, in mijn hoofd had ik als vanouds een waslijst aan dingen waar ik nu weer aan toe zou komen. Die ik nu wel weer eens op kon pakken, af kon maken, eindelijk aan zou kunnen beginnen. Alleen in mijn verwaarloosde huishouden al lagen de karweitjes in alle hoeken en gaten in stapels te wachten. Laat staan in mijn verbouwing, waar ver vóór de operatie de gang al ruimschoots uit was eerlijk gezegd, waar die hele operatie niet eens meer als geloofwaardig excuus voor zou mogen worden opgevoerd. En aan creatieve projecten, opwellingen en ideeën heeft het me sowieso niet vaak ontbroken.
Kortom, een waslijst, als vanouds, waaraan ik in de verste verte niet toe zou komen, hoe enthousiast en onvervaard ik mij er deze maandag ook toe zette.
Niets nieuws onder de zon inderdaad.
Toch was het niet helemaal als vroeger. Vandaag liet mijn lijf mij weten dat ik te hard van stapel liep. Met een niet mis te verstaan zeurend en stekend litteken en een loodzware vermoeidheid. Dat ik toch nog wel een beetje de patiënt ben. Die zichzelf in acht moet nemen. Of ik dat nou wil of niet.

Twee keer zes is twaalf

Afgelopen maandag ben ik dan gestart met de hartrevalidatie. Was dat iets om naar vooruit te kijken? Ja, misschien wel. Maar dan vooral om de markering in de tijd. Als teken van herstel. Een zekere mate van herstel toch in elk geval. Een soort keerpunt in deze ongelukkige geschiedenis die de mijne schijnt te zijn. Het moment waarop de operatie en het lijfelijk herstel daarvan officieel achter de rug zouden zijn en waarop de reis terug naar hoe het was zou beginnen. Dat was wel iets om naar vooruit te kijken, zeker vanuit het ziekenhuisbed. Zelfs al vóór de operatie was het een vooruitzicht om me aan vast te houden, al was het dan een strohalm.
Na zes weken, zo werd me voorgehouden, zou het ergste achter de rug zijn, hoe erg het ook zou worden. Nou goed, we zitten inmiddels op twaalf weken, en ik zal niet ontkennen dat het ergste wel achter de rug is, maar ik had me er meer van voorgesteld geloof ik. Misschien waren mijn verwachtingen niet realistisch, dat zou kunnen, maar ik had gehoopt dat ik verder zou zijn, eenmaal op dit punt aangeland. Afgaande op de toch ook wel sussende verhalen die mij voor de operatie waren verteld over de periode erna, had ik niet gedacht dat ik nu, meer dan twee keer zes weken later, nog altijd zo veel pijnstillers zou moeten slikken. Dat ik na één middag hartrevalidatie tot de conclusie zou komen dat ik dat zes weken geleden zeker nog niet had kunnen volbrengen. Dat mijn borst ook nu nog behoorlijk zou protesteren, tegen al dat getrippel en gehups.
Ik voel mij, als ik eerlijk ben, dus een klein beetje bekocht, ja.
Of : ik heb er moeite mee te accepteren dat het bij mij nou eenmaal gaat zoals het gaat. Dat dit nou eenmaal mijn lijf is, dat reageert zoals het doet, en geneest zoals het geneest.
Zo kun je het ook zien. En dat dat, als je denkt aan wat er allemaal met me gedaan is, nog altijd ongelooflijk snel is. Dat natuurlijk wel.

Weer voor het eerst

De lange weg terug naar het normale leven is geplaveid met eerste keren. Net als de weg naar de bruuske onderbreking ervan met laatste keren neem ik aan. Waarbij ik me er over het algemeen waarschijnlijk niet zo heel bewust van ben geweest dat het niet vanzelfsprekend is allemaal. Niet zo bewust als van heel veel eerste keren.
De laatste keer poepen bijvoorbeeld zal ik onopgemerkt hebben doorgetrokken. De éérste keer weer poepen daarentegen, de tocht naar de wc, voetje voor voetje over de ziekenhuisgang, het schuifbordje ‘bezet’, dat maar weinig garantie bood op het uitblijven van per ongeluk maar ongewenst bezoek, het moeizame gaan zitten, de zware bevalling, het nauwelijks durven persen, de merkwaardige kleur, de vreselijke lucht, het verplicht opbiechten van de ontlasting aan een verpleegster van misschien 23.. het staat me nog helder voor de geest, hoeveel voeten dat in de aarde had opeens.
En zo is er meer, de lijst is eindeloos. Honderdduizend alledaagse dingen waarvan ik nooit gedacht had dat het ooit iets bijzonders zou worden. Iets om je op te verheugen, of om tegenop te zien. Als een berg soms zelfs. De eerste keer opstaan uit bed, de eerste keer zitten in een stoel, de eerste paar stappen lopen, de eerste stappen los. De eerste keer douchen. De eerste keer douchen zonder begeleiding. De eerste keer in de spiegel kijken, naar die vreselijke streep. De eerste keer de grauwe wanhoop in je eigen ogen zien. De eerste keer weer lachen ook. De eerste keer weer buiten, weer thuis, in eigen tuin, op eigen terrein. De eerste keer in eigen bed, de eerste keer weer vrijen, de eerste keer omhoogkomen uit bed zonder hulp van het touw. Het eerste wandelingetje op straat, honderd meter, onder de gewetensvolle begeleiding van de oudste zoon. De eerste keer weer op de fiets, met de trein, achter het stuur in de auto. De eerste ontmoeting met de eigen grenzen.
Maar ook de eerste keer de vreemde gewaarwording dat de pijn op de borst, die oude bekende, achterwege blijft.
Ja, dat ook. Dat ook.