Dagelijks innemen

Zeveneneenhalve maand verder zijn we inmiddels, ik houd het bij, en de belangstelling van de buitenwereld is zo’n beetje opgedroogd. Opgetrokken. Weggeëbd. Dat is logisch. Misschien. Maar misschien ook niet. Het is een ingewikkeld verhaal. Ik heb natuurlijk geen zin of behoefte het er elke keer uitgebreid met iedereen over te hebben. Ook niet om me altijd maar de patiënt te moeten voelen. Dus het is fijn dat het langzamerhand niet meer standaard ter sprake komt. Zeker. Het leven heeft zijn normale gang hernomen.
Aan de andere kant ís dat natuurlijk helemaal niet zo. Het leven heeft zijn normale gang helemaal niet hernomen. Er gaat geen dag voorbij zonder dat ik pijn aan mijn bast heb, bijvoorbeeld. Er gaat geen week voorbij dat ik niet tegen een grens aan loop die er eerder toch echt niet was. Er gaat geen nacht voorbij dat ik niet lig terug te denken aan de lange, zwarte nachten in het ziekenhuisbed. Nog regelmatig moet ik mijzelf dwingen niet aan opengezaagde borstkassen en lillende organen te denken. Elke ochtend zie ik het litteken in de spiegel. Vaak vraag ik mij bangig af hoe lang het goed zal blijven gaan. Een vraag die mij eerder niet zo bezig hield, pijn op de borst of niet. Dus dat er eigenlijk niet meer over gepraat wordt, dat er nauwelijks nog naar gevraagd wordt, daar voel ik mij ook niet prettig bij. Dat de buitenwereld maar doet of er niks gebeurd is. Dat ik mijzelf zelfs een zeurpiet ga vinden als ik het wel ter sprake breng. Of die neiging onderdruk. Het voelt als een ontkenning van mijn eigen ervaring, dat mijn dagelijks leven er nog elke dag door wordt beïnvloed. Elke dag. En niet per se op een fijne manier.

Advertenties

Een vast gegeven

Eigenlijk was het nóg eerder begonnen. Veel eerder zelfs, als ik heel eerlijk ben. Want als ik heel eerlijk ben, heb ik dit natuurlijk al van minstens mijn achttiende zien aankomen. Kunnen zien aankomen. Maar goed, wat weet je op je achttiende? Alles, denk je. Dat hoort zo. Maar later kom je tot het inzicht dat dat niet waar was. Dat hoort waarschijnlijk ook zo. Je riep maar wat. Je deed maar wat. Je was maar wat. En dit verhaal paste niet in mijn straatje, dus dit verhaal zou mijn deurtje wel voorbij gaan. Dit verhaal had ook veel te veel te maken met thuis, waar ik niks mee te maken wilde hebben. Dus hiermee ook niet, al helemaal niet, niks.
Het verhaal trok zich dáár dan weer niks van aan. Want toen ik een jaar of vijfentwintig was, denk ik, het was vóór ik wist dat ik vader zou worden van mijn dochter, vervoegde ik mij bij de huisarts met klachten over pijn op de borst. Vijfentwintig, moet ik geweest zijn. Vierentwintig misschien. Dat is bijna vijfendertig jaar geleden. Pijn op de borst bij plotselinge inspanning. Rennen voor de trein of de tram, de heuvel op fietsen, of tegen de wind in.
De huisarts vond toen dat ik eerst maar eens moest stoppen met roken. Het pakje Marlboro zat stompzinnig provocerend duidelijk zichtbaar in het min of meer doorzichtig borstzakje van het witte overhemd waarvan ik mij nog goed herinner dat ik het aan had die dag. Dus stopte ik met roken. Waar ik in elk geval twee jaar later, toen ik vader werd van mijn dochter, veel plezier van heb gehad. Maar de pijn op de borst, die bleef. Die bleef.
En zo kwam ik op enig moment, het zou goed kunnen dat één en ander in gang werd gezet door de komst van mijn dochter en het bijbehorend ontwakend verantwoordelijkheidsgevoel, weer terug in het medisch circuit waar ik tien jaar eerder nog achteloos puberaal, puberaal achteloos was uitgestapt. De internist schreef me steeds hogere doses statines voor en stuurde me voor de pijnklachten naar de cardioloog, wat toen al uitdraaide op een fietstest. Ik kan nog geen dertig geweest zijn, en toen al kwam de hartkatheterisatie ter sprake. Dat dat een voor de hand liggende volgende stap zou zijn, in mijn geval, met dit resultaat.
Dat was tóen het moment dat ik nog terug kon. Een hartkatheterisatie, dat klonk mij nogal heftig in de oren. En de gedachte aan welke consequenties dat kon hebben, misschien wel zou hebben, schrokken mij zo af dat ik dankbaar gebruik maakte van de destijds geboden ontsnappingsmogelijkheid. Want dat ik nog jong was, werd er gezegd, en dat het ook nog wel even kon wachten. Dat ik dat zelf kon bepalen, of ik nog vooruit kon met mijn pijnklachten. Dat ik zelf kon bepalen wanneer het niet draaglijk meer was, en dan terug kon komen.
En zo werd de pijn op de borst een vast onderdeel van mijn leven. Een gegeven waar ik de nu bijna dertig jaar daarna rekening mee heb gehouden. Omheen heb geleefd. En nooit heb ik het idee gehad dat het niet draaglijk meer was.
Tot op de dag van vandaag.

Heldenmoet

Er was al wel één en ander aan voorafgegaan natuurlijk. Aan de hartkatheterisatie bedoel ik. Maar dat is logisch. Toch werd ik er ook min of meer door overvallen. Door de huisarts had ik mij enige weken eerder namelijk laten doorverwijzen naar een longarts, ik had last van kortademigheid bij het zwemmen. Alleen bij het zwemmen. Een uit het niets opkomende hijgerigheid was het, een reutelende pijn in mijn longen die mij belette het aantal baantjes te zwemmen waar ik een week eerder nog geen enkele moeite mee had gehad, en die wekenlang op standby bleef hangen.
En dat had ik dan ook al weer eerder gehad, een half jaar ervoor. Toen weet ik het aanvankelijk aan een chloorallergie, vanwege het verband met het zwemmen. Toen die theorie niet op bleek te gaan, schakelde ik over op hooikoorts, hoewel ik daar nooit eerder last van had gehad. Op aanraden van iemand die er baat bij gehad zou hebben, bezocht ik toen een fysiotherapeut, die, volgens een recent ontdekte behandeling, sporttape op mijn rug plakte, in een zeker patroon, waardoor mijn klachten binnen een week of drie zouden moeten zijn afgenomen. Wat tot mijn grote verbazing ook zo was. Dat het misschien toch hocus pocus was geweest, wat ik als cynicus diep van binnen eigenlijk de hele tijd al had gedacht, bleek toen de tweede aanval van dezelfde kortademigheid mij in de winter overviel. Niet echt een hooikoortsseizoen. Toch bleef ik het aan mijn longen wijten. En niet tegen beter weten in, wat sommige mensen in mijn omgeving zeiden te vinden van wel, die vonden dat ik duidelijk in de ontkenningsfase verkeerde. Maar ik voelde het in mijn longen. In mijn longen, ja?! Mijn longen! Ik werd er kribbig van, van de telkens voorzichtig herhaalde suggestie dat het ook wel eens.. Nee! Het was een duidelijk andere pijn, op een duidelijk andere plaats in mijn lijf dan de bekende angina pectoris klacht. Want ja, inderdaad, die kende ik ook. Maar al te goed. Maar niet bij het zwemmen. Zelfs toen ik tijdens een plotselinge aanval van benauwdheid bijna verdronk, bij het overzwemmen van Het Wiel hier ter plaatse – ruim honderdvijftig meter onverwarmd buitenwater – bleef ik bij mijn eigen theorie. Er was iets met mijn longen.
Een aantal keer bezocht ik aldus het ziekenhuis in Den Helder, waar ik aan een reeks testen werd onderworpen. Allergietesten, bloedtesten, blaastesten. Ik moest blazen en puffen en adem inhouden in apparaten en slangen en cabines. Het leverde niets anders op dan de wetenschap dat mijn longen prima in orde waren, ondanks mijn verre verleden als roker, en de vraag waar mijn klachten dan vandaan kwamen.
Dat was het moment waarop de longarts dacht dat een fietstest misschien nog iets op zou leveren, aan nieuwe informatie. Dat was een interessant moment. Dat was het moment waarop ik nog terug kon. Waarop ik nog terug had gekund. Als ik dat gewild had. Want hoe die fietstest ging verlopen, dat wist ik wel. Daar maakte ik mij geen illusies over. Toch deed ik dat niet, terugkrabbelen. Nog altijd weet ik eigenlijk niet precies waarom, maar ik stemde er mee in. Was het het ingebakken en vastgeroeste ontzag voor de doktersjas, de stethoscoop? Misschien.. Was het de al even ingebakken opvatting dat wie A zegt nu eenmaal ook B moet zeggen? Kan.. Was het mijn koppige overtuiging dat het iets anders zou blijken te zijn? Nee, dat toch niet. Ik wist wel dat ik een fietstest niet tot een goed einde zou brengen, en dat een hartkatheterisatie de onvermijdelijke volgende stap zou zijn. En dat daar dan weer iets uit zou komen dat ik liever niet wilde horen, daar twijfelde ik ook niet aan. En toch deed ik het. Wat ik mijn leven voor me uit had geschoven. Ik leverde mij vrijwillig over aan de goden. De leeuwen. De wolven.
Het was heldenmoed. Dat moet bijna wel.

Niet zulk goed nieuws

Nou, uw kortademigheid wordt niet veroorzaakt door uw longen. Zo werd het mij, op eigenlijk vrij laconieke toon, medegedeeld. Bijna alsof het iets was om blij om te zijn. Uw longen zijn het in elk geval niet, dat is wel een hele opluchting zeker?
Ik lag in een operatiehemd op tafel, in een gekoelde ruimte, en had net een hartkatheterisatie ondergaan. Zulk goed nieuws was het dus niet, want als het niet mijn longen waren, dan wist ik wel wat het wel was. Nu begreep ik ook pas dat die man, die een kwartiertje (tien minuten? Een half uur?) geleden binnenkwam om mijn dokter op dringende toon weg te roepen met de mededeling dat hij twee volledig dichte aderen had, het over míj had gehad, en niet over een patiënt in de kamer hiernaast.
Twee volledig afgesloten kransslagaderen, kreeg ik nu ook direct te horen, van een dokter die zich nog altijd verscholen hield achter het scherm waarachter ook de hele operatie zich voor mij had afgespeeld.
Minimaal vijf mensen hadden zich bij binnenkomst heel even over mij heen gebogen, allemaal gekleed in het uniform van de operatiekamer, met allemaal een identiek groen mutsje op het hoofd en een identiek groen mondkapje voor, om hun naam bekend te maken, bij wijze van persoonlijke toets, maar geen van allen had als taak gehad mij gedurende het hele proces op de hoogte te houden van wat er met mij gebeurde. Allen hadden zich achter het scherm opgesteld en er verder het zwijgen toegedaan. Alleen wat technische aanwijzingen had ik gemompeld horen worden.
Van achter mij, van boven mijn hoofd vanuit liggende positie gezien, had zich onaangekondigd een wit gevaarte over mij heen bewogen dat gedurende het proces geheel op eigen gezag bleek te kunnen manoeuvreren en steeds andere posities innam. Ergens in de verte, half binnen mijn gezichtsveld, zag ik een televisiescherm hangen dat vlekkerige zwartwit beelden vertoonde, waarvan ik wel begreep dat dat mijn hartstreek was, maar waarvan ik geen idee had hoe die te interpreteren, die vreemde, geluidloze zwarte wolkjes die verschenen en weer verdwenen.
Ik had mij de tijd die het duurde erg eenzaam en verlaten gevoeld. Maar nu werd er dan tegen mij gepraat. Dat het niet zulk goed nieuws was.

Vooruitgang

Er zijn altijd betere en slechtere dagen, zei mijn oudste zoon, terwijl hij zijn lange lijf hoekig over het mijne vouwde, zijn hoofd op mijn schouder, zijn armen om mijn nek, mijn borst tegen de zijne.
Hij zei het op de hem kenmerkende toon van de negentienjarige die uit hoofde van zijn leeftijd de wijsheid nou eenmaal in pacht heeft. Hij beschikt over een ruime voorraad waarheden als koeien. Zoals deze dus bijvoorbeeld.
Ik had hem net toevertrouwd dat het vandaag niet zo wilde, met mij. Met moeite was ik opgestaan maar na het ontbijt op de bank weer ingestort, en nu met slepende tred op weg naar de douche. Moe, zwaar en duf. Chagrijnig en opstandig. Ik mompelde nog maar eens iets nurks in zijn oksel.
In elk geval kan ik je nu wel weer gewoon knuffelen, drukte hij mij nog eens extra tegen zich aan, dus dat is in elk geval vooruitgang.
En inderdaad, dat is vooruitgang. Dat kon tot voor kort nog niet gewoon. Dat moest tot voor kort met de grootste omzichtigheid, om ieder contact met de geschonden borst, die zelfs geen kleding verdroeg, te voorkomen. Zo was het drie maanden geweest. En mijn oudste zoon mocht, zo groot als hij is, zijn vader nou eenmaal graag eens even stevig omhelzen, om een grondig ‘ik hou van je pap’ in zijn nek te brommen.
En dat kon nu dus weer. Borst tegen borst.
Noem dat maar eens geen vooruitgang.

Maandag

Gisteren was het maandag. Nou is het dat wel vaker natuurlijk, maandag, maar dit was de eerste van een heel nieuw schooljaar. De dag dat vrouw en kinderen er ’s ochtends vroeg weer welgemoed op uit trokken, met rugzakken, broodtrommels en schoolboeken, de dagtaak tegemoet. Om pas veel later op de dag, hongerig en vermoeid, vol van indrukken en verhalen, weer terug te keren op het honk. De eerste dag van wat dan het normale leven genoemd zou kunnen worden.
En de eerste dag sinds de operatie dat ook mijn leven dus weer haar normale loop neemt, zo op het eerste oog. Niet langer de patiënt, die ontzien moet worden, het rustig aan moet doen en zichzelf in acht moet nemen. Gewoon weer de huisman in een klushuis, met creatieve projecten ernaast en het huis en de tijd aan zichzelf. Dat had ik in elk geval dan zo’n beetje gedacht.
Dat wil zeggen, in mijn hoofd had ik als vanouds een waslijst aan dingen waar ik nu weer aan toe zou komen. Die ik nu wel weer eens op kon pakken, af kon maken, eindelijk aan zou kunnen beginnen. Alleen in mijn verwaarloosde huishouden al lagen de karweitjes in alle hoeken en gaten in stapels te wachten. Laat staan in mijn verbouwing, waar ver vóór de operatie de gang al ruimschoots uit was eerlijk gezegd, waar die hele operatie niet eens meer als geloofwaardig excuus voor zou mogen worden opgevoerd. En aan creatieve projecten, opwellingen en ideeën heeft het me sowieso niet vaak ontbroken.
Kortom, een waslijst, als vanouds, waaraan ik in de verste verte niet toe zou komen, hoe enthousiast en onvervaard ik mij er deze maandag ook toe zette.
Niets nieuws onder de zon inderdaad.
Toch was het niet helemaal als vroeger. Vandaag liet mijn lijf mij weten dat ik te hard van stapel liep. Met een niet mis te verstaan zeurend en stekend litteken en een loodzware vermoeidheid. Dat ik toch nog wel een beetje de patiënt ben. Die zichzelf in acht moet nemen. Of ik dat nou wil of niet.

Twee keer zes is twaalf

Afgelopen maandag ben ik dan gestart met de hartrevalidatie. Was dat iets om naar vooruit te kijken? Ja, misschien wel. Maar dan vooral om de markering in de tijd. Als teken van herstel. Een zekere mate van herstel toch in elk geval. Een soort keerpunt in deze ongelukkige geschiedenis die de mijne schijnt te zijn. Het moment waarop de operatie en het lijfelijk herstel daarvan officieel achter de rug zouden zijn en waarop de reis terug naar hoe het was zou beginnen. Dat was wel iets om naar vooruit te kijken, zeker vanuit het ziekenhuisbed. Zelfs al vóór de operatie was het een vooruitzicht om me aan vast te houden, al was het dan een strohalm.
Na zes weken, zo werd me voorgehouden, zou het ergste achter de rug zijn, hoe erg het ook zou worden. Nou goed, we zitten inmiddels op twaalf weken, en ik zal niet ontkennen dat het ergste wel achter de rug is, maar ik had me er meer van voorgesteld geloof ik. Misschien waren mijn verwachtingen niet realistisch, dat zou kunnen, maar ik had gehoopt dat ik verder zou zijn, eenmaal op dit punt aangeland. Afgaande op de toch ook wel sussende verhalen die mij voor de operatie waren verteld over de periode erna, had ik niet gedacht dat ik nu, meer dan twee keer zes weken later, nog altijd zo veel pijnstillers zou moeten slikken. Dat ik na één middag hartrevalidatie tot de conclusie zou komen dat ik dat zes weken geleden zeker nog niet had kunnen volbrengen. Dat mijn borst ook nu nog behoorlijk zou protesteren, tegen al dat getrippel en gehups.
Ik voel mij, als ik eerlijk ben, dus een klein beetje bekocht, ja.
Of : ik heb er moeite mee te accepteren dat het bij mij nou eenmaal gaat zoals het gaat. Dat dit nou eenmaal mijn lijf is, dat reageert zoals het doet, en geneest zoals het geneest.
Zo kun je het ook zien. En dat dat, als je denkt aan wat er allemaal met me gedaan is, nog altijd ongelooflijk snel is. Dat natuurlijk wel.